Notities van een amateurpianiste

Notities van een amateurpianiste

Happy Birthday to You, Good Morning to All

NotitiesPosted by Veerle Janssens 17 Feb, 2018 12:00

In mijn mailbox vandaag een verjaardagskaart. Op zich niet zo uitzonderlijk of onverwacht op deze dag. Maar het is een kaart mét muziek, en dan nog muziek van niet minder dan twee componerende vrouwen.

Wie kent er niet het liedje Happy Birthday to You? Voor veel kinderen is het misschien wel hun kennismaking met het Engels. Wat weinigen weten is dat het wellicht geschreven is door de zussen Mildred en Patty Hill uit Kentucky. Eind 19de eeuw zongen deze twee vrouwen uit Kentucky dit liedje elke ochtend voor de kleuters in hun school, weliswaar op een andere tekst: Good morning to you, Good morning to you, Good morning, dear children, Good morning to all.

In 1893 namen de kleuterjuffen het op in hun liedboek Song Stories for the Kindergarten. De verjaardagstekst verscheen voor het eerst in druk in 1912, samen met de melodie. De verspreiding nam almaar toe, met als hoogtepunten de introductie in de Broadway-musical The Band Wagon in 1931 en Marilyn Monroes vertolking voor de jarige president John F. Kennedy in 1962.

Het ongeëvenaarde succes was een vermelding waard in het Guinness Book of Records als bekendste Engelstalige lied. Maar van de muzikale elite heeft de creatie van de zussen nooit respect of bewondering gekregen. Daarvoor vertoont de compositie te veel eigenschappen van de ‘lage’ cultuur: het kan uitgevoerd worden door niet-geoefende individuen, het is functioneel, melodieus en eenvoudig en de overlevering gebeurt veeleer auditief dan via notatie.

Toch was het lied enkele jaren geleden inzet van een felle strijd met hoog oplopende financiële implicaties. Sinds de Summy Company in 1935 het liet registreren, trok de Hill Foundation de helft van de auteursrechten voor uitvoeringen buiten de privékring. Nadat de Summy Company overgenomen was door Warner/Chappell Music Inc., streek die voor het populaire lied naar schatting dagelijks 5.000 dollar aan auteursrechten op. Dat had nog kunnen doorgaan tot 2030. Maar na een klacht van filmmaakster Jennifer Nelson, die voor een documentaire over Happy Birthday aan Warner/Chappell 1.500 dollar moest betalen, moest een rechtbank zich uitspreken over de geldigheid van het auteursrecht.

In september 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat de voorganger van Warner Chappell nooit een geldig auteursrecht gekregen heeft. De song is nu tot openbaar bezit verklaard, waarop dus geen auteursrechten meer betaald moeten worden.

Dank, beste vrienden voor de muzikale verjaardagskaart die jullie me stuurden. Maar dank ook Mildred en Patty!



  • Comments(0)//notities.vrouwaandepiano.be/#post5

Mélisande

NotitiesPosted by Veerle Janssens 06 Feb, 2018 10:47

Na mijn passage in Berg en dal op Klara (hier nog te beluisteren) werd het tijd om nog eens naar muziek van een mannelijke componist te gaan luisteren en kijken: Pelléas et Mélisande van Claude Debussy (1862-1918) in de opera in Antwerpen. Een bespreking van deze (knappe en aanbevelenswaardige) productie, in handen van de choreografen Sidi Larbi Cherkaoui en Damien Jalet en de performancekunstenares Marina Abramović, laat ik over aan terzake meer beslagen recensenten. Ik reken het tot mijn ‘taak’ een half gelijknamig en vroeger werk van een vrouwelijke componiste onder de aandacht te brengen.


In 1893 ging in Parijs het theaterstuk Pelléas et Mélisande van de Gentse symbolist Maurice Maeterlinck in première. Het werk inspireerde vele componisten, onder wie behalve Claude Debussy ook Gabriel Fauré, Jean Sibelius en Arnold Schönberg. Mel Bonis (1858-1937) was echter als ‘eerste’ klaar. Deze Parisienne componeerde in 1898 haar eendelige pianowerk Mélisande, dat nog datzelfde jaar verscheen bij uitgever Leduc. Claude Debussy bleef twaalf jaar schaven aan zijn bewerking, die, toegegeven, van een heel ander kaliber is. In 1902, het jaar waarin Debussy’s opera Pelléas et Mélisande in première ging, begon Schönberg aan zijn symfonisch gedicht.

Is het omdat Bonis’ interpretatie van Maeterlinck, in vergelijking met die van haar mannelijke collega’s, van omvang vrij bescheiden is dat ze systematisch over het hoofd gezien wordt? Zij noemde Mélisande alvast haar lievelingsstuk. Ook ik kan het best appreciëren. Op zich is dit aanvankelijk zacht vloeiende en gestaag opwindender pianostuk al mooi. Maar als je je het verhaal erbij inbeeldt, en bovendien de omstandigheden kent waarin het werk gecomponeerd is, krijgt het nog een extra dimensie.

Verstrikt

Je ziet en hoort Mélisande in haar torenkamer haar lange blonde haar kammen, terwijl Pélleas beneden onder haar venster toekijkt. Tot ze plots haar hoofd buigt en Pélleas in haar haren verstrikt raakt. ‘Ik heb nog nooit zulk haar als het jouwe gezien. Het komt van zo hoog, maar omhult me tot aan mijn hart. Het is zo zacht. Door je haren kan ik de hemel niet meer zien. Hoor je mijn kussen langs je haren omhooggaan?’

Maeterlincks toneelstuk is au fond het relaas van een noodlottige driehoeksverhouding. Dat Mélanie Bonis er inspiratie in vond, is wellicht niet toevallig. Het was de periode waarin ze zelf verstrikt zat in een verboden liefde. Mélanie was al enige tijd getrouwd, echter geenszins met de man van haar keuze. Op het conservatorium, waar ze overigens een medestudente was van Debussy, had ze een relatie aangeknoopt met een zanger, Amédée Hettich. Toen haar ouders dat te weten kwamen, verplichtten ze Mélanie haar studies, waar ze sowieso al niet achter stonden, onmiddellijk af te breken. Ze gingen op zoek naar een ‘betere’ huwelijkskandidaat voor hun dochter en vonden die in de rijke industrieel Albert Domange, 22 jaar ouder, twee keer weduwnaar en vader van vijf zonen. ‘Als men mij de liefde verbiedt, ga ik voor het geld’, zou Mélanie geoordeeld hebben.

Maar Hettich kwam opnieuw in haar leven en in het grootste geheim beviel ze van hun dochter, Madeleine. Voor de diepgelovige vrouw was het een zware beproeving. Pas twintig jaar later zou ze, onder druk van de omstandigheden, Madeleine opbiechten wie haar ware ouders waren. Het was Mélanies achterkleindochter Christine Géliot die een eeuw later het geheim voor het grote publiek onthulde in de biografie Mel Bonis, Femme et ‘Compositeur’. Meer details over Mel Bonis’ turbulente leven zijn te lezen in Vrouw aan de piano.

Femmes de légende

De Parijse componiste heeft nog zes andere vrouwenportretten uit de mythologie en de literatuur op muziek gezet: Desdémone, Phoebé, Salomé, Viviane, Omphale (in 1910 bekroond bij een Duitse compositiewedstrijd) en Ophélie. Volgens biografe Christine Géliot identificeerde Mélanie Bonis zich met al deze legendarische vrouwen, die stonden voor haar verlangens en innerlijke conflicten. Ophélie is pas in 1997 ontdekt en een jaar later voor het eerst uitgegeven. Daarop heeft het Duitse Furore Verlag de zeven werken gebundeld als Femmes de légende.

Van de zeven werken kan het melancholische Desdémona mij het meest bekoren. Het staat, samen met Mélisande en ander klavierwerk, op de cd La cathédrale blessée van Veerle Peeters, die ons Mel Bonis enkele jaren geleden heeft leren kennen met haar muziektheatervoorstelling Mel Bonis m/v.

La princesse Maleine

Over Maurice Maeterlinck nog dit. Ook de componerende zussen Nadia en Lili Boulanger hadden een goede verstandhouding met de Gentse Nobelprijswinnaar. In 1916 kreeg de toen 23-jarige Lili zijn toestemming het theaterstuk La princesse Maleine te bewerken tot een opera. Eerder had Debussy daar tevergeefs om verzocht. Helaas is het nooit zo ver gekomen. Lili was op dat moment al doodziek, twee jaar later is ze overleden. Wat haar opus magnum moest worden, is onafgewerkt gebleven.


Info

Mélisande, in een uitvoering van Sylvia Maltese, is te beluisteren via YouTube.
Femmes de légende, in een uitvoering van Maria Stembolskaia, is te beluisteren via YouTube.
• De cd La cathédrale blessée van Veerle Peeters is verschenen bij Etcetera.
• Foto: Pelléas et Mélisande, OperaBalletVlaanderen, Rahi Rezvani







  • Comments(0)//notities.vrouwaandepiano.be/#post4

Taalfout?

NotitiesPosted by Veerle Janssens 13 Jan, 2018 15:50

De ultieme drukproef van Vrouw aan de piano is nagelezen, de persen kunnen beginnen te draaien. Spannend.

Hoeveel fouten heb ik laten staan? Hopelijk geen inhoudelijke - die misschien alleen ingewijden zullen opmerken. Maar wat met de kleine tikfoutjes en grote taalblunders? Die zullen mij als gewezen eindredactrice met jaren ervaring op de teller wellicht het zwaarst aangerekend worden. Er zijn immers weinig excuses voor aan te dragen. Tenzij tekstblindheid. Fouten in een zelf geschreven tekst detecteren is nu eenmaal een moeilijk te nemen klif. Je leest wat je denkt dat er staat.

Zo spotte een lieve nalezer in de laatste versie nog ergens orkestkleden. Hij had het woord onderstreept, maar dan nog moest ik twee keer kijken. (Had ú die letter te veel meteen gezien?) Elders merkte hij op dat twee woorden wel erg dicht tegen elkaar plakten. Inderdaad: de spatie ontbrak. En moest Wilrijk in die ene passage niet Berchem zijn? Hoe had ik me in hemelsnaam daarin kunnen vergissen?

Waar ik me echter niet in heb vergist, beste lezer/es, is de consequent aangewende verbinding vrouwelijke componiste. U had het in mijn notities of op mijn website misschien al opgemerkt en de wenkbrauwen gefronst. Is dat niet van het goede te veel, nogal tautologisch? Moet dat niet gewoon componiste? Of vrouwelijke componist, zonder -e, zijn?

Ik kan u verzekeren: dat is een weloverwogen keuze, een van mijn stokpaardjes. Componist is voor mij in de praktijk immers geen genderneutrale (‘gemeenkunnige’) functieomschrijving. Voor mij is een componist een man, geen geslachtloos individu.

Nu besef ik maar al te goed dat niet alle (componerende en musicerende) vrouwen gediend zijn van die benadrukking van een vermeend onderscheid. Ze willen muzikant, componist of dirigent genoemd worden, niet muzikante, componiste of dirigente. Want sekse mag er toch niet toe doen? Het is de muziek die telt! En gelijk hebben ze. Ik begrijp ook hun achterliggende vrees: benadrukking van de sekse heeft al te vaak geleid tot marginalisering. Om te overleven moet je, in de woorden van componiste Annelies Van Parys, one of the guys zijn.

Voor haar boek The Woman Composer voerde Jill Halstead gesprekken met een tiental Britse 20ste-eeuwse componistes. De meesten uitten een grote behoefte om geaccepteerd en gewaardeerd te worden binnen de traditie en het establishment waarin ze hun muzikale en culturele waarden opgedaan hadden. Ze wilden dat hun muziek aanvaard werd als muziek, niet als drager van een politieke boodschap. Daarom wilden de meesten ook niet benaderd worden als woman composer. Want je zegt toch ook niet man composer?

‘In een ideale wereld is er geen behoefte aan categorisering volgens gender,’ beseft Halstead, ‘maar onze taal en cultuur gaan impliciet uit van vrouwelijke onzichtbaarheid. Het is een vaststelling waar we niet onderuit kunnen en die we onder ogen moeten zien. De niet-gekwalificeerde term composer is zo verzadigd met de notie mannelijkheid dat hij geen genderkwalificatie behoeft.’ Met andere woorden: je hoeft inderdaad niet ‘mannelijke componist’ te zeggen, want men gaat ervan uit dat een componist sowieso mannelijk is.

Zal dat niet veranderen als meer vrouwen aan het componeren slaan? Toen ik ter afronding van mijn studie Germaanse filologie een licentiaatsverhandeling schreef over vrouwelijke beroepsnamen, zo’n dertig jaar geleden, was dat ook al het meest aangehaalde argument: wacht nog even tot vrouwen overal zijn doorgedrongen en we zullen niet meer automatisch aan mannen denken bij een op zich genderneutrale functieomschrijving.

Ik heb slecht nieuws. Nog geen week geleden liet mijn man me op zijn smartphone een foto zien van een kostbare viola da gamba die gehavend uit een vliegtuig gekomen was. Hij had het nieuwsbericht gelezen op een Engelse website en vertelde me erbij dat de muzikant - the musician - woedend was op Alitalia.

Ik zag een rood aangelopen man voor ogen bij wie, volkomen terecht, de stoom uit de oren kwam. Groot was mijn verbazing toen ik de volgende dag in de papieren krant las dat het beklaagde slachtoffer een dirigente was. Een vrouw dus. Zelfs in een wereld waarin zoveel vrouwen - wellicht evenveel als mannen - muziek beoefenen, blijven we - geef maar toe, u ook - in de eerste plaats aan mannen denken bij het woord muzikant. (Weinig consequent noemt De Standaard het slachtoffer Myrna Herzog wel dirigente en muzikaal directeur, niet directrice, van het Duitse Phoenix Ensemble.)


Wat de Australische Dale Spender al in 1980 in haar boek Man Made Language stelde, gaat helaas nog steeds op: ‘Mannelijkheid is de ongemarkeerde vorm: verondersteld wordt dat de wereld mannelijk is tenzij anders aangetoond. Vrouwelijkheid is de gemarkeerde vorm: het is het bewijs van het ander.’

En daarom moeten vrouwen, of ze nu willen of niet, expliciet aangeven dat ‘de norm’ voor hen niet opgaat. Wil je het probleem van seksisme, net zoals dat van racisme of klassenonderscheid, aanpakken, dan moet je eerst de classificatie zichtbaar maken, oordeelt Halstead. Daarom vindt de autrice van The Woman Composer het voorvoegsel woman zeker te verantwoorden, ondanks alle negatieve connotaties die daar vaak mee gepaard gaan.

En ja, in het Nederlands kan die sekse op een dubbele manier onderstreept worden: vrouwelijke componiste. Inderdaad omdat we componist in mijn ogen niet de ene keer als mannelijk en de andere keer als genderneutraal kunnen beschouwen.

(Foto: Facebook/myrna herzog)



  • Comments(0)//notities.vrouwaandepiano.be/#post3

Moeder en dochter

NotitiesPosted by Veerle Janssens 27 Dec, 2017 11:07


Het wordt stilaan een traditie op tweede kerstdag: naar De Doelen in Rotterdam voor het Chopin-recital van Eliane Rodrigues. Dit jaar was het de derde keer dat ik in Wijnegem met enkele tientallen andere muziekliefhebbers op de gecharterde autocar stapte.

Zouden we, zoals vorig jaar, weer getrakteerd worden op hilarische toestanden? Na nauwelijks drie maten stopte Eliane toen prompt met spelen toen ze een mankement aan de pedaal ontwaarde. Vervolgens verdween ze met vleugel en al onder het podium en kwam ze weer naar boven met een vervanginstrument. Als een duveltje uit een doosje. (Het filmpje daarvan nog niet gezien? Op het wereldwijde web ging het binnen de kortste keren viraal.)

Nee, niets onvoorziens deze keer. Tenzij dan dat Eliane tussen twee stukken door even wegliep van de piano om een oude vrouw die de zaal verliet snel een kerstroos toe te stoppen die tot de versiering van het podium behoorde. Spontaan en sprankelend, zo kennen we deze concertpianiste, laureate van de Koningin Elisabethwedstrijd. Dat Thomas-die-het-hard-speelt aan het einde van zijn slotconcert ook even van het podium wegliep: hij heeft het van geen vreemden. Of was het in Rotterdam de lerares die de leerling kopieerde?

Wedergeboorte

Maar deze editie was om een andere reden bijzonder, want Eliane deelde de piano met haar dochter Nina Smeets. Voor mij een primeur, al had ik ze wel al samen geïnterviewd voor mijn boek Vrouw aan de piano.

Dat gebeurde naar aanleiding van Nina’s debuut als componiste. Aan Project Reborn, een bundel van negen pianowerken, bleek een heel verhaal verbonden. Over Nina’s wedergeboorte, nadat ze als kleuter weken in coma had gelegen. Spoilen ga ik hier niet doen, daarvoor moet u uiteraard mijn boek lezen, maar haar ontwaken had iets te maken met een speelgoedcassetterecorder en een pianoconcerto van Mozart.

Nina had voor het interview haar moeder meegebracht, want dat moest maar eens in herinnering gebracht worden: ook zij is componiste. Eliane vertelde me hoe ze op haar tweeënhalf al met één vingertje pianospeelde en niet veel later een walsje voor haar moeder componeerde. Op haar zevende zijn in haar geboorteland Brazilië twee boekjes met haar ‘pianomethode’ uitgegeven. ‘Ik ben een zeer gedreven muzikante, met veel temperament’, wist ze. ‘Maar componeren vergt rust. Eigenlijk hebben vrouwen daar de tijd niet voor. Toch moeten we die durven te nemen, een pauze inlassen in onze activiteiten.’

Oosterse prinsessen

Geen eigen muziek echter op het kerstrecital. In de Doelen speelt Eliane met kerst traditiegetrouw Frédéric Chopin. Dit jaar onder meer enkele van zijn onovertroffen nocturnes. Terwijl ik dit uittik, luister ik naar Elianes gloednieuwe dubbel-cd - ik kon het na het concert niet laten deze integrale te kopen, ook al heb ik al een sublieme versie van Angela Hewitt. Als ik de twee nocturnes herken die ik jaren geleden zelf gespeeld heb, krijg ik bijna het schaamrood op de wangen. Zo zouden die dus moeten klinken… (Maar nee, zo wíl ik absoluut niet denken, want dan zou ik nooit nog piano mogen spelen.)


Met Nina speelde Eliane vierhandig twee delen uit Sheherazade van Nikolai Rimsky-Korsakov. Als twee oosterse prinsessen, met hun glinsterende goudkleurige jurken en galahandschoenen-zonder-handschoenen ofte armwarmers, zo zaten ze daar. Dicht tegen elkaar, pianostoelen lichtjes naar elkaar toe gedraaid, de vier handen bijwijlen bijna in elkaar verstrengeld. Terwijl Eliane, die de hoogste partij voor haar rekening nam, in het begin met haar linkerhand nog niet hoefde te spelen, legde ze die in Nina’s rug. Zo teder.

Toen vroeg ik het me plots af: heb ik al ooit met mijn dochter samengespeeld? Toen Laura tien jaar geleden aan haar piano-opleiding begon, had ik het me wel eens voorgesteld. Dat we bijvoorbeeld samen Ma Mère l’Oye van Maurice Ravel zouden spelen, het charmante vijfdelige werk dat ik ooit aan de muziekacademie met een medestudente heb gespeeld. Ik denk dat ik het zelfs eens heb voorgesteld aan Laura’s pianoleraar: als hij een pianopartner zocht voor mijn dochter, dan wilde ik wel inspringen. Het is er tot nu toe nooit van gekomen.

Goed voornemen

Weer thuis in Antwerpen polste ik haar voorzichtig. Of we niet eens moesten overwegen iets samen te doen? Ik had van mijn inmiddels twintigjarige dochter een ontwijkend antwoord verwacht. ‘Ik speel geen klassieke muziek meer’, bijvoorbeeld. ‘Maar nee, mama, ik ben niet zo principieel’, zei ze daarover. Ze had er wel zin in. Ik meende zelfs een twinkeling in haar ogen te zien.

Dat het dan wel een werk van een vrouwelijke componiste zou worden, voegde ik er nog gauw aan toe. Want daarin ben ík - voorlopig - nog wel principieel: in het raam van mijn boek over vrouwelijke componistes speel ik alleen nog maar werk van vrouwen. Als compensatie voor het eenzijdig mannelijk repertoire uit mijn jeugd. Het evenwicht zal nooit hersteld kunnen worden, vrouwen hebben door historische omstandigheden nu eenmaal veel minder gecomponeerd. Maar wat ze geschreven hebben, verdient het (her)ontdekt te worden.

‘Ken jij wel quatre-mains van vrouwen?’, wilde Laura voor alle zekerheid weten. Ik kon niet meteen titels opsommen, maar uiteraard bestaan ze. Alvast Fanny Mendelssohn, Cécile Chaminade, Mel Bonis en Germaine Tailleferre, allemaal componistes die in mijn boek de revue passeren met werk voor piano solo, hebben óók voor vier handen gecomponeerd.

‘Als het mooie stukken zijn, wil ik die wel spelen’, knikte ze verwachtingsvol. We vinden er vast en zeker, dochter. Want uiteraard (bis) zijn mooie quatre-mains geen mannelijk privilege. Wat men niet kent, kan men niet leren waarderen. Dat heb ik in mijn zoektocht van de voorbije jaren naar vrouwelijke componistes wel geleerd.

En kijk, daarmee hebben we ons goede voornemen voor het nieuwe jaar: moeder en dochter in 2018 vierhandig aan de piano.

(foto's vj)



  • Comments(3)//notities.vrouwaandepiano.be/#post2

The Keynote

NotitiesPosted by Veerle Janssens 18 Dec, 2017 00:07

Een van de - vele - leuke dingen bij het uitbrengen van een boek is nadenken over de cover. Van meet af aan stond het voor me vast dat ik geen stilistisch vormgegeven beeld wilde, een tekening van pianotoetsen bijvoorbeeld. Gezien de focus van mijn boek ligt op componistes en pianistes van de negentiende en twintigste eeuw, leek een schilderij uit die tijd me meer te passen. Op de Facebook-pagina van de Nederlandse Christa Zaat had ik er al ettelijke mooie zien passeren. Maar een echt geschikte prent - aantrekkelijk van kleur, bruikbaar als achtergrond bij een titel - zat er in het bijna 150 beelden tellende online album van deze Nederlandse ‘virtual curator of female artists in history’ niet bij.

Op een regenachtige zomeravond begon ik dus te surfen op het web. De zoektermen vrouw+piano of woman+piano leverden vooral foto’s op. Van vrouwen aan de piano, maar ook op de piano, de ene al schaarser gekleed dan de andere. Zeker, er waren best hoogst aantrekkelijke beelden bij, maar niet wat ik zocht.

Snel voegde ik de zoekterm painting toe. Ik denk dat het uiteindelijk via Pinterest was dat ik mijn pianospelende dame vond. Het was geen coup de foudre, maar hoe langer ik nu naar haar kijk, hoe verrukkelijker ik haar vind.


Ze is geschilderd in 1915 door William Merritt Chase, een Amerikaanse impressionist, en bevindt zich in de collectie van Tate in Londen. Het olieverfschilderij (506 x 405 mm) behoort tot de ‘Michael and Valerie Chase Collection’, die in 1994 geschonken is aan het museum, maar het wordt er niet tentoongesteld.

Blauw

De titel van het werk luidt The Keynote. Die ene pianotoets trekt dan ook de aandacht. Maar net zozeer blijft je blik hangen aan haar sierlijke houding, haar smalle taille en slanke hals, het opgestoken, ravenzwarte kapsel, het speciale blauw, de bloemetjes op het behangpapier. Intrigerend in de compositie, als je nog wat aandachtiger kijkt, is die linkerhand op de pianostoel. Speelt ze die ene noot met haar rechter middelvinger heel zachtjes, of net met een zware aanslag? Moet ze zichzelf daarom tegenhouden? Valt ze anders om?

En dan het instrument. Te laag voor een buffetpiano. Zou het niet veeleer een vleugel zijn? Maar zo dicht tegen de muur?

Net zoals ik voor mijn boek al lezend en surfend het laatste detail hoopte te weten te komen over de componistes over wie ik schreef, ben ik ook op zoek gegaan naar deze pianospelende vrouw. Merkwaardig genoeg is dit schilderij niet te vinden in The Complete Works op de website gewijd aan William Merritt Chase. Nergens vond ik haar naam. Wie ze is, heb ik dus niet met zekerheid kunnen achterhalen.

Over haar schepper kan ik wel meer vertellen. William Merritt Chase (1849-1916) werd geboren als zoon van een schoenmaker in de staat Indiana, maar studeerde vanaf zijn twintigste aan de National Academy of Design in New York. Met een beurs maakte hij vervolgens een studiereis naar Europa, waar hij bijzonder onder de indruk raakte van de oude meesters, zoals Peter Paul Rubens en Frans Hals. De Belgische portret- en genreschilder Alfred Stevens, die hij in Parijs leerde kennen, gaf hem echter de goede raad zijn schilderijen niet te laten lijken op werken van de oude meesters. Chase hield ook van het werk van Jean-Baptiste Corot en de schilders van de Haagse School. Onder invloed van Édouard Manet schoof hij op naar het impressionisme. Uiteindelijk was zijn stijl vrij eclectisch. Hij liet meer dan 2.000 werken na.

Rond de eeuwwisseling was Chase in de Verenigde Staten een van de meest gewaardeerde leraars van zijn tijd. In 1896 opende hij in New York de Chase School of Art, die vrij snel omgedoopt werd tot de New York School of Art. Hij promootte het schilderen in plein air en gaf zijn studenten vaak les in openlucht.

Behalve landschappen en parken (vaak Brooklyn en Central Park) schilderde hij veel portretten van zijn leerlingen, maar ook van modieuze dames en andere rijkelui. Googelend stuitte ik op een boeiende lezing op YouTube over kleding in Chases schilderijen. De man bleek een bijzonder goed oog te hebben voor stoffen en mode.

In 1887 huwde hij Alice Bremond Gerson (1866-1927), de dochter van de directeur van een lithografisch bedrijf. Het echtpaar woonde eerst in Brooklyn en later in Manhattan. Ze kregen acht kinderen - net zoveel als Clara en Robert Schumann een halve eeuw voor hen.

Zwart haar

Intussen ben ik er vrijwel zeker van dat de pianospelende vrouw die zo gracieus the keynote beroert, Williams echtgenote is. In ieder geval had ook Alice Gerson, afgaande op andere portretten die hij van haar geschilderd heeft, zwart haar. Wat niet gezegd kan worden van ene Mrs. Meigs, die hij in 1883 eveneens portretteerde at the Piano Organ.

Ikzelf ben die pianospelende vrouw in ieder geval niet, hoewel mijn 93-jarige moeder dat - zonder leesbril - even dacht toen ik haar in het rusthuis op mijn smartphone de cover van mijn boek-in-wording toonde. Jammer (smile).


Hierbij als smaakmakertjes nog wat schilderijen die de selectie voor de cover van mijn boek níét doorstaan hebben.


Van links naar rechts, van boven naar onder:

* Alfred Stevens: ‘Eva Gonzalès au piano’ (1879).
* Vilhelm Hammershøi: ‘Interieur met vrouw in het zwart’ (1901).
* William Merrit Chase: ‘Mrs Meigs at the Piano Organ’ (1883).
* James Ensor: 'Russische muziek’ (1882).
* William Worcester Churchill: 'Girl Playing Piano' (1918).
* Luis Jiménez y Aranda: ‘A Quiet Afternoon’ (s.d).
* Vilhelm Hammershøi: ‘Interieur met vrouw aan de piano - Strandgade 30’ (1901).



  • Comments(2)//notities.vrouwaandepiano.be/#post1

Wat voorafging

NotitiesPosted by Veerle Janssens 10 Dec, 2017 19:41

Speel jij nog?

Het was een vraag die ik nog wel eens kreeg: speel jij nog? Wie de vraag stelde, wist dat ik in mijn jonge jaren piano had gestudeerd aan de gemeentelijke muziekacademie van Wilrijk. Dat ik volhard had, ook toen ik naar de universiteit ging. In die tijd reageerde ik nog ietwat koppig: als je al zover gevorderd bent in je muziekopleiding, dan stop je toch niet meer? Met die doorzettingskracht was ik inderdaad in de - wat toen nog heette - ‘uitmuntende graad’ geraakt en behaalde ik mijn diploma, met een niet onaardig resultaat.

Daarmee zaten mijn pianolessen aan de academie erop. Gelukkig moedigde de directeur mij wel aan me nog in te schrijven voor het vak kamermuziek. Dat hield me nog enkele jaren aan de piano, zelfs toen ik al aan het werk was, eerst als stadsreporter bij Het Nieuwsblad, vervolgens als Wetstraat-redactrice bij De Standaard. Toen ik ook in de kamermuziek een diploma behaald had, viel de deur van de muziekacademie echter definitief achter me dicht. Ik stond op straat. Of althans, ik werd teruggegooid naar mijn eigen woonkamer: trek nu maar je plan, je kunt wel alleen voort.

Vanaf dan begon ik om de zoveel tijd de vraag te krijgen: speel je nog?

Af en toe herhaalde ik de stukken die ik voor mijn examens gespeeld had: het Italiaans concerto van Bach, een nocturne van Fauré, een pianosonate van Haydn,… Het was niet meer zo perfect als het geweest was, maar alla. Betreurenswaardiger vond ik het dat er niets nieuws meer bij kwam. Ik haalde nog wel eens nieuwe partituren in huis, van de preludes en fuga’s van Dmitri Sjostakovitsj bijvoorbeeld, wanneer ik na cd-beluistering enthousiast geloofde dat ik die ook zonder hulp van een leerkracht in de vingers kon krijgen. Viel dat even tegen. Niet alleen miste ik op tijd en stond deskundige aanwijzingen, de uitdaging was ook weg. Het doel, zo men wil. Dat hoefde niet eens een concert te zijn. De wekelijkse les bij de juf die in stilte keurde of je wel goed geoefend had, kon ook aanzetten tot discipline en doorzetting.

Op een dag liep ik in mijn buurt een pianolerares tegen het lijf die ik nog kende van de muziekacademie. Frieda was bereid me privéles te geven. Bij haar leerde ik de mooiste stukken, in een ongedwongen sfeer, met af en toe een huisconcertje. Tot ze naar de Ardennen verhuisde en ik weer alleen achterbleef met mijn piano.

Vijftig

Speel je nog? Daar was de vraag weer. ‘Zo’n beetje, niet echt’, stamelde ik dan wat schuldbewust. Intussen zat ik op de eindredactie van De Tijd en had ik - in principe - elke ochtend vrij. Maar telkens wanneer zich een verloren moment aankondigde, bleek er altijd weer iets dringenders te doen. En als het er dan toch eens van kwam, was de frustratie groot. Clair de Lune, die nocturnes van Chopin of die sonates van Haydn en Beethoven die ik met Frieda ingestudeerd had: ze hadden wel wat meer onderhoud nodig. Of die nieuwe stukken, de partituren van vrouwelijke componistes die ik begon te verzamelen: ook daar was wel wat meer doorzetting en dus meer tijd voor vereist. Maar vooral ook een sturende hand.

Toen ik met snelle schreden richting vijftig opschoof, vond ik dat het tijd was voor actie. Ik besloot me opnieuw in te schrijven aan de muziekacademie, waar toch nog een poortje voor me open bleek te staan: ik kon bij Piet Stryckers aan MA’GO in Antwerpen nog muziektheorie volgen, zeg maar een initiatie in de compositieleer. Eindelijk zou ik weer geregeld aan de piano moeten gaan zitten om oefeningen voor te bereiden. En als ik er dan toch zat, kon ik meteen weer echte partituren doorploegen, zo maakte ik me sterk.

Alleen, die compositieoefeningen slorpten ontzettend veel tijd op. Van echt pianospelen kwam andermaal niet veel in huis.

Een boek

Het ongenoegen bleef knagen. In de lente van 2014 gaf ik op Facebook lucht aan mijn frustratie. … heeft op haar vrije dag en zolang de katten van huis waren enkele uren aan de piano doorgebracht en beseft eens te meer dat ze dat veel vaker wil doen maar ach er zijn toch altijd dringender dingen te doen en vrijblijvend spelen vergt zoveel discipline maar ach wat zijn die eenvoudige driestemmige inventies van Bach die ze als kind gespeeld heeft toch ingenieus en hemels en die moeilijke nocturnes van Chopin wil ze ook opnieuw in de vingers krijgen en die Debussy en Fauré en Haydn maar Fanny en Clara hebben ook zulke mooie muziek geschreven en en en maar ach driewerf ach waarom moest ze weer rugpijn krijgen?

Een zeventigjarige Facebook-vriendin herkende wat ik schreef: het plezier, de rugpijn en de frustratie. Een andere vriend, een collega-docent van me aan de journalistenopleiding, vroeg of ik het verhaal kende van Alan Rusbridger. Googelend leerde ik dat de hoofdredacteur van The Guardian over de jaren 2010 en 2011 een soort dagboek gepubliceerd had van een uitermate hectisch jaar. Een jaar waarin zijn krant scheep ging met Julian Assange en WikiLeaks en waarin ze onthulde dat journalisten van News of the World de voicemail gehackt hadden van het verdwenen en vermoorde meisje Milly Dowler en van talloze beroemdheden en politici. Maar vooral was het ook de periode, van zo’n anderhalf jaar, waarin de eindvijftiger zich tot doel gesteld had de Ballade nr. 1 van Chopin, een werk dat ook onder professionele pianisten beschouwd wordt als een van de meest uitdagende uit de pianoliteratuur, in de vingers te krijgen. Nog dezelfde dag bestelde ik online Rusbridgers boek, Play It Again.

Rusbridgers boodschap was me meteen duidelijk: je bent nooit te oud om weer met pianospelen te beginnen. Integendeel, voor uitstel is er - zeker voor vijftigplussers - geen tijd meer. Wachten met de goede voornemens tot de pensioengerechtigde leeftijd is onverantwoord.

Daarin kon ik niet anders dan hem overschot van gelijk geven. Enkele weken voor ik me verdiept had in Play It Agian, had ik immers een op zijn minst tot nadenken stemmende diagnose gekregen: artrose in mijn nek. Dat bleek de oorzaak van de uitstralende pijn tot in de vingers van mijn rechterhand en wellicht ook deels een verklaring voor mijn rugpijn. Gelukkig had ik er niet aanhoudend last van, en konden kine, een betere stoel en andere hulpmiddeltjes nog min of meer verlichting brengen.

Maar ik dacht ook aan mijn vader, die als prille vijftiger artrose in zijn duimen gekregen had. Voor hem was het verdict veel harder. Hij kon geen huistaken meer verbeteren of op het bord schrijven, waardoor hij zijn baan van onderwijzer eraan had moeten geven. Ook voor de doe-het-zelver in hem braken harde tijden aan. De laatste jaren van zijn leven kwam hij zijn zetel bijna niet meer uit. Hij overleed onverwacht op 62-jarige leeftijd. En al had dat vroegtijdige overlijden wellicht met andere dingen te maken dan met die artrose, het daagde me plots dat ik als bijna vijftigjarige ook niet al te kwistig meer mocht zijn met mijn tijd.

Eén voorwaarde

Een van de laatste lessen van het schooljaar gaf ik bij Piet in de muziekacademie opnieuw lucht aan mijn frustratie: dat ik na drie jaar bij hem les gevolgd te hebben wel al veel meer inzicht had gekregen in de vernuftigheid van partituren, maar ze daarom nog niet vaker uitgevoerd kreeg. Kon hij me geen goede privé-pianoleerkracht tippen die me - af en toe - bij kon staan? Maar, o wonder, samen kwamen we tot de vaststelling dat er misschien toch nog een manier was om me, ondanks mijn vroegere opleiding, aan de muziekacademie opnieuw in te schrijven voor pianolessen. Uiteraard zou ik dan wel vasthangen aan lessen op weekbasis. Zo hoorde het ook, oordeelde mijn leraar muziektheorie, voor wie muziekbeoefening uiteraard regelmaat en volle inzet vereiste.

Inwendig kreunde ik. Ik had misschien niet genoeg tijd meer in lengte van jaren, maar hoe zat het met de tijd die me dag aan dag gegund was? Had ik dan al niet mijn handen vol met mijn nagenoeg voltijdse job en mijn twee dochters - ook al droeg mijn man zowat het hele huishouden op zijn schouders en naderden mijn dochters de leeftijd van de zelfstandigheid?

Maar ik waagde het erop. Ik had maar één ‘voorwaarde’ toen ik me aanmeldde bij Axelle Kennes, mijn nieuwe pianolerares, voor het eerst iemand die jonger was dan ik. Ik wilde alleen maar werk van vrouwelijke componistes spelen, ter compensatie van het eenzijdig mannelijke repertoire dat ik vroeger gespeeld had. Axelle maakte geen bezwaar, al kende ze zelf maar weinig werk van vrouwen. Clara Schumann en Fanny Mendelssohn natuurlijk. Maar verder? Ik verzekerde haar dat er nog veel meer waren, ooit naar waarde geschat, maar later om vaak wraakroepende redenen weggedeemsterd. We stonden aan het begin van een boeiende ontdekkingsreis.

Nog een boek

Alan Rusbridger bracht me niet alleen weer aan het spelen, hij wakkerde met zijn boek ook mijn goesting aan om zélf weer in de pen te kruipen. De laatste twintig jaar van mijn journalistieke loopbaan las ik als eindredactrice bij De Standaard en vervolgens bij De Tijd na wat ánderen schreven. Het werd tijd dat ik weer mijn eigen verhalen ging delen.

En wat kwam daar in eerste instantie, naar het inspirerende voorbeeld van Rusbridger, beter voor in aanmerking dan míjn verslag van een jaar? Het jaar waarin ik vijftig werd, het jaar waarin ik eindelijk weer aan de piano ging zitten, maar vooral het jaar waarin ik op zoek ging naar vergeten componerende en pianospelende vrouwen die tegen alle tegenkantingen in hun droom najoegen en alleen al daarom weer dringend voor het voetlicht mochten treden? In februari 2015, de maand waarin ik vijftig werd, begon ik aan Het jaar van de piano.

Een nieuw instrument

Mijn vijftigste verjaardag was ook het begin van een jaar waarin ik banden smeedde met een nieuw instrument. Een boek schrijven doe je achter de computer of met de laptop op de trein of in bed. In stilte. Niemand heeft er last van. Niemand hoeft zelfs te weten wat je aan het doen bent. In relatieve afzondering een landschap schilderen, zoals mijn man doet? Ook dat valt nog te regelen. Zelfs met een viool of een fagot is het niet onmogelijk jezelf op te sluiten en veertig keer dezelfde maat te oefenen zonder ook maar iemand te storen.

Nee dan, die piano! Dat logge meubelstuk dat steeds op dezelfde plaats staat, doorgaans in een centrale ruimte waar alle huisgenoten passeren, decibels producerend die de buren tot twee huizen ver kunnen horen en waar ook toevallige passanten in de straat oorgetuige van zijn. Even tussendoor stiekem een toonladder aframmelen om de vingervlugheid op te drijven? Ik geneer me ervoor. En mijn thuiswerkende wederhelft apprecieert het - begrijpelijkerwijs - niet.

Toen ik vijftig werd, nam ik daarom een onontkoombare beslissing: de aankoop van een degelijk nieuw instrument mét hoofdtelefoon. Zoals anderen om een midlifecrisis te bezweren een motor of een nieuwe auto kopen, schonk ik bij Piano's Maene mezelf - daarin bijgestaan door liefhebbende sponsors - een nieuw instrument. Het was nu of nooit. En daarmee was het nieuwe avontuur helemaal aangebroken. Een hernieuwde kennismaking met een oude vertrouwde maar toch ook onbekende metgezel.

Een burn-out

Niet veel later in dat vijftigste levensjaar dook wel nog een spelbreker op. Burn-out. Zelfs piano spelen was plots te vermoeiend. Toch ben ik er niet meer mee opgehouden. Hoeveel moeite het me ook kostte, ik bleef naar de les gaan en begon zelfs aan nieuwe stukken.

Wel heb ik de drastische beslissing genomen na bijna dertig jaar de krantenjournalistiek vaarwel te zeggen. Inmiddels kan ik mijn maatschappelijk engagement kwijt bij Ringland, de burgerbeweging die het idee van de overkapping van de Antwerpse ring uitwerkte, een inspirerende oplossing voor de mobiliteit- en leefbaarheidsproblemen in mijn stad.

Van job veranderen, maar vooral weer volop piano spelen, op een nieuw instrument en in het gezelschap van zoveel muzikaal gepassioneerde maar ten onrechte vergeten vrouwen: dat alles werd mijn jaar van de piano. Het werd een verhaal waarmee ik hoop velen te inspireren, zowel wie ooit al een instrument speelde en er al dan niet noodgedwongen mee ophield, als wie het misschien voelt kriebelen maar er nog niet toe gekomen is. Het is nooit te laat om je passie te volgen.

Speel jij nog?

Jazeker!



Het relaas van mijn bijzonder 'jaar aan de piano' is te lezen in Vrouw aan de piano,
dat in februari 2018 verschijnt bij Uitgeverij Vrijdag. Op mijn website bied ik nu al achtergrondinformatie.





  • Comments(0)//notities.vrouwaandepiano.be/#post0
« Previous